Precies een week geleden was het twintig jaar geleden dat een van de bekendste moorden uit de Salvadoraanse burgeroorlog plaatsvond. Op 16 november 1989 werden op de campus van de Universidad Central Americo (UCA) zes leden van een religieuze orde op barbaarse wijze in hun woningen vermoord. Vijf van hen hadden de Spaanse en Salvadoraanse nationaliteit, de andere alleen de Salvadoraanse.

De 'moord op de Jezuïeten', zoals het de geschiedenis is ingegaan, is één van de vijf grote moordpartijen uit de Salvadoraanse burgeroorlog (tussen de militaire junta en de guerrilla's van het FMLN) die internationaal gezien het meeste heeft losgemaakt. De eerste moordpartij die de schijnwerpers op El Salvador richtte was die op aartsbisschop Romero. Hij werd op 24 maart 1980 doodgeschoten tijdens het opdragen van de mis. Romero was een aartsbisschop die opkwam voor de armen en zich uitsprak tegen de schendingen van mensenrechten in zijn land. Op 2 december 1980 waren de ogen van de wereld opnieuw op het kleine land in Midden-Amerika gericht toen vier Amerikaanse nonnen van de Maryknoll congregatie werden vermoord. Maura Clarke, Ita Ford, Jean Donovan en Dorothy Kazel werden eerst geslagen, toen verkracht en vervolgens vermoord door leden van de beruchte en gevreesde extreem-rechtse doodseskaders.
El Mozote
Een jaar later, op 10 december 1981, werd een heel dorp in het noordoosten van El Salvador uitgemoord door het beruchte Atlacatl bataljon, dat bekendstond om zijn wreedheden. Het bataljon was een offensief tegen de guerrilla's begonnen en het uitmoorden van een heel dorp paste bij de oorlogsstrategie. Immers, als dorpelingen weten dat ze op deze manier gestraft kunnen worden, dan zijn ze voortaan bang om de guerrilla's onderdak en voedsel te geven. Meer dan 1000 dorpelingen werden vermoord. Ook hier werden de vrouwen eerst verkracht. De Salvadoraanse machthebbers probeerden de moordpartij te ontkennen, maar enkele journalisten (Raymond Bonner van de New York Times, Alma Guillermoprieto van de Washington Post en Magnum-fotografe Susan Meiselas) wisten kort na de moord in het gebied te komen en de gruwelijke beelden vast te leggen. Ondanks dit bewijsmateriaal werden ze door de Amerikaanse president Reagan voor leugenaars uitgemaakt.
Moord op de IKON-journalisten
Op 17 maart 1982 vond de moordpartij plaats die we ons in Nederland nog allemaal herinneren. De vier Nederlandse journalisten Koos Koster, Hans ter Laag, Joop Willemsen en Jan Kuiper werden in de provincie Chalatenango in een hinderlaag gelokt en vermoord door een legereenheid van het Salvadoraanse leger. Hoewel de autoriteiten verklaarden dat ze in een vuurgevecht tussen het leger en guerrilla's waren terechtgekomen, werd al snel duidelijk dat ze bewust vermoord waren door een legereenheid die op hen lag te wachten. De vier Nederlanders maakten aangrijpende reportages over de mensenrechtenschendingen en het onrecht in het land, en moesten dat bekopen met de dood. Hun dood sloeg wereldwijd in als een bom omdat journalisten nog nooit eerder zo'n bewust gekozen doelwit waren.

Slotoffensief
Ruim zeven jaar later vond de moord op de Jezuïeten plaats. Het FMLN was begonnen aan een slotoffensief om hoofdstad San Salvador binnen te trekken. Het was een alles of niets offensief om de eindeloos voortdurende oorlog voor eens en voor altijd te winnen. Het slotoffensief zou uiteindelijk mislukken omdat het Salvadoraanse leger met succes de luchtmacht inschakelde die met grote bombardementen de guerrilla wist te isoleren van de burgerbevolking. En deze burgerbevolking had men nodig om de strijd definitief in het voordeel te beslissen. In deze context vond de moord plaats op de Jezuïeten die werkten op de UCA. Deze universiteit stond bekend om zijn kritische houding ten opzichte van de machthebbers.
Omdat geen van beide strijdende partijen de oorlog in haar voordeel kon beslechten, werden er vredesonderhandelingen gestart. Uiteindelijk werd in 1992 de oorlog officieel beëindigd en vredesakkoorden getekend. De Waarheidscommissie van de Verenigde Naties concludeerde dat er tussen 1980 en 1992 naar schatting 75.000 doden waren gevallen. Maar degenen die schuldig waren aan de grote schendingen van mensenrechten werden nooit veroordeeld omdat president Christiani een brede amnestiewet afkondigde.
Andere wind
Toch lijkt er nu n andere wind te waaien. Wereldwijd moeten steeds meer plegers van mensenrechtenschendingen verschijnen voor internationale tribunalen of rechtbanken. In Den Haag zitten de Liberiaanse oud-president Charles Taylor en de Bosnisch-Servische oud-president Radovan Karadzic gevangen. Ze moeten voor een internationaal strafhof verschijnen. Maar ook de 'kleine' vissen kunnen zich niet meer onschendbaar wanen. Op 22 september werd op het vliegveld van Madrid de Transavia piloot Julio P gearresteerd en uitgeleverd aan Argentinië, omdat hij wordt verdacht van het uitvoeren van zogeheten 'dodenvluchten' tijdens het Generaalsregime in de jaren zeventig. Tijdens deze dodenvluchten werden politieke opponenten boven zee uit het vliegtuig gesmeten.
In het geval van El Salvador lopen eveneens enkele zaken. Een aantal in de Verenigde Staten wonende voormalige Salvadoraanse generaals moesten een miljoen dollar betalen aan de nabestaanden van aartsbisschop Romero nadat een Amerikaanse rechtbank hierover een uitspraak had gedaan. De zaak van El Mozote is aanhangig gemaakt bij het Interamerikaanse Mensenrechtenhof in de Verenigde Staten. Verder strijdt de Belgische priester Rogelio Ponseele al jaren voor genoegdoening van de slachtoffers van El Mozote. Verder is in Spanje een rechtzaak aangespannen tegen veertien legerofficieren uit El Salvador die worden verdacht van de moord op de zes Jezuïeten in 1989.
Medewerking Salvadoraanse overheid
De nieuwe president Mauricio Funes staat ambivalent tegenover deze nieuwe ontwikkelingen. Toen we hem in januari (toen hij nog presidentskandidaat was) vroegen of hij de amnestiewet wilde afschaffen, gaf hij een duidelijk antwoord: nee. 'In een land met zoveel polarisatie als El Salvador moet je proberen om zo weinig mogelijk wraakgevoelens op te wekken. Wel willen we naast de amnestiewet ook een wet voor nationale verzoening instellen', verklaarde hij toen. Daarbij benadrukte Funes wel dat de Salvadoraanse overheid onder zijn presidentschap alle medewerking zou gaan verlenen aan internationale rechtzaken die lopen tegen plegers van mensenrechtenschendingen in El Salvador en de vonnissen ook zal respecteren.
Nu Funes inmiddels zes maande president is heeft hij deze belofte gehouden. Begin november kondigde hij aan dat de vermoorde Jezuïeten postuum de Nationale Orde van Jose Matias Delgado zullen ontvangen. Op 16 november, precies twintig jaar na de moord, is deze onderscheiding uitgereikt aan familieleden van de vermoorde Jezuïeten die in El Salvador op bezoek waren voor de herdenking. Een bijzonder detail is dat Funes zelf ook aan de UCA heeft gestudeerd en de vermoorde Jezuïeten ook persoonlijk kende. Dat het de Salvadoraanse president menens is blijkt ook wel uit het feit dat zijn minister van Defensie nieuwe documenten uit de zaak naar buiten heeft gebracht die tijdens de rechtzaak in Madrid voor interessante munitie kunnen zorgen. Hieruit zou namelijk blijken dat zowel de CIA als de Spaanse Inlichtingendienst op de hoogte is geweest van de geplande moord op de Jezuïeten.
Zaak over IKON journalisten?
Deze nieuwe ontwikkelingen lijken nu ook de weg vrij te maken om gerechtigheid te krijgen voor de vier vermoorde journalisten uit Nederland. Benjamin Cuellar, directeur van het mensenrechteninstituut van de UCA en de belangrijkste mensenrechtendeskundige van het land, heeft al gezegd dat hij deze zaak graag op zich wil nemen en de kansen op een succesvolle rechtzaak wil onderzoeken. Hierover heeft hij ook al een gesprek gevoerd met Gert Kuiper, de jongere broer van Jan Kuiper, één van de vermoorde IKON-journalisten.
Wordt vervolgd dus.